Watercipres
Metasequoia glyptostroboides (bot.)
Dawn redwood (Eng.)
Métaséquoia (Frans)
Urwelt-Mammutbaum, Chinesischer Rotholzbaum (Duits)
Hu et cheng (Chinees)
Taxodiaceae – moerascipresfamilie

Tot 1941 dacht men dat de watercipres uitgestorven was. Toen ontdekte de wetenschapper T.Kan uit Nanking in Centraal-China een solitair staande boom die hij niet kende. Hij verbaasde zich omdat deze boom in de herfst zijn naalden liet vallen.
In 1944 verzamelde een boswachter in dit gebied takken en kegels waarvan men dacht dat ze bij de waterden (Glypostrobus pensilis) hoorden.
Tussen 1945 en 1948 werd de 'vreemde' boom door Chinese en Amerikaanse botanici in de bergen van de provincies Sechuan en Hubei bestudeerd. Tijdens het onderzoek van de kegels ontdekten zij, dat het om een unieke soort ging, die eerder verwant was met de Californische mammoetbomen dan met glyptostrobus.

Door fossiele vondsten in o.a. Spitsbergen en Montana (USA) weet men intussen dat deze boom tijdens het Neozoïcum in Noord-Amerika, op Groenland, in Noord-Europa, Siberië en Oost-Azië een veel voorkomende naaldboom geweest is. Amerikaanse botanici spreken niet van een ‘living fossil’ (bijnaam van de Ginkgo), maar van een ‘fossil that came to life’.
Door de politieke en economische omstandigheden in het toenmalige China duurde het jaren voordat er voldoende hoeveelheden zaden in het westen gebracht konden worden.
De watercipres werd in 1945 in de Verenigde Staten ingevoerd. Sindsdien is hij wijdverbreid in alle werelddelen met gematigd klimaat. Zo keerde de watercipres in vrij korte tijd terug naar zijn oude areaal, want in het Neozoïcum was hij al inheems in grote delen van het noordelijke halfrond.
Nu groeit hij in Azië, Europa en Noord-Amerika in vele parken en tuinen.
Naamgeving
Het voorvoegsel meta werd gegeven door de Chinese botanicus Miki. Het woord betekent lijkend op of verwant met omdat hij vond dat deze boom leek op de hem bekende sequoia’s. Glyptostroboides is afgeleid van glyptostrobus, een naaldboom die in China groeit en die net als de watercipres in de winter zijn naalden verliest. De Nederlandse naam watercipres heeft te maken met de behoefte van deze boom aan vocht.
Verspreiding
In 1948 lukte het voor het eerst om zaden van de watercipres naar USA te brengen. Vanuit het Arnold-Arboretum in Massachusetts werden zij de hele wereld in gestuurd, dus ook naar Europa.
In 1947 werden in de Amsterdamse Hortus de eerste acht boompjes uit zaden gekweekt.
Plantkenmerken
Watercipres is een tot 35 m hoge zomergroene naaldboom die snel groeit. In het najaar verliest hij zijn naalden die in het voorjaar lichtgroen uitlopen. Hij heeft een kegelvormige kroon en een stam met plooien onder de vertakkingpunten.
De twijgen zijn bruinachtige tegenoverstaande lange en korte loten .
De naalden groeien aan de lange loten spiraalsgewijs en aan de korte loten tegenoverstaand. Ze zijn zacht, in lente en zomer lichtgroen, in de herfst eerst goudkleurig, later roodbruin.
Watercipres is eenhuizig, d.w.z. dat de vrouwelijke en mannelijke bloemen aan dezelfde boom zitten. De mannelijke bloemen zijn tot 10 cm lange bloeiwijzen, klein en rond. De vrouwelijke bloemen zijn groene kegeltjes.
De kegels zijn eivormig tot rond en lang gesteeld. Onrijp staan zij rechtop, rijp hangen zij. De schors is grijs-roodbruin met lengtegroeven, zacht en vezelig afschilferend.

De watercipres is winterhard en houdt van koele zomers met veel neerslag.
Ook tijdens de winter is het een aantrekkelijke boom met de oranjerode kleur van de twijgen.
Snoeien is niet nodig!
De watercipres heeft geen last van ziektes.
Andere naaldverliezende coniferen zijn: lariks, moerascipres (Taxodium distichum) en goudlariks pseudolariks amabilis)