Valse Christusdoorn
Gleditsia triacanthos (bot.)
Honey-locust, thorny-locust, three-thorned-acacia (Eng.)
Amerikanische Gleditschie, Lederhülsenbaum (Duits)
Févier épineux, carouge à miel, épine du Christ (Frans)
Leguminosae - vlinderbloemfamilie

Deze boom vinden we veelal in de (sub)tropen , maar enkele soorten komen we ook in ons gematigde klimaat als straat - en parkboom tegen.
Hij lijkt op de robinia. Een opvallend verschil is dat de valse christusdoorn een gedoornde stam en twijgen heeft, terwijl die van de robinia glad zijn; tenminste wat de gleditsia met doornen betreft, want er zijn ook soorten zonder doornen.
Waarom noemt men hem een valse christusdoorn? Is er ook een echte? Inderdaad, de echte is namelijk de Pallurus spina-christii die tot de familie van de vuilboomachtigen hoort, wel doornen maar een heel andere gestalte heeft.
Naamgeving en herkomst
De Latijnse naam Gleditsia is afgeleid van Johann Gottlieb Gleditsch (1714-1786), directeur van de Berlijnse botanische tuin en vriend en bewonderaar van Linnaeus..
Inheems is de valse christusdoorn in
het Centrum van Noord-Amerika, Afrika en Azië. In zijn natuurlijke omgeving is
hij, samen met eiken, essen en esdoorns, een pionierplant d.w.z. dat hij geen
hoge eisen aan de bodem stelt en snel groeit. Hij is winterhard.

Plantkenmerken
De valse christusdoorn kan onder gunstige omstandigheden 30 m hoog en meer dan 100 jaar oud worden. De oudere twijgen hebben scherpe, vertakte dorens, sommige als drietand. De bladeren zijn geveerd en in het najaar goudgeel. De groenwitte vlinderbloemen die in juni verschijnen zijn eenhuizig (mannelijke en vrouwelijke aan dezelfde boom), en hangen in trossen aan de takken. De vruchten zijn lange, donkerbruine, vaak spiraalswijs gedraaide peulen die vaak overdadig aan de boom hangen en in het najaar de bodem daaronder bezaaien. De zaden zijn in een zoetige massa ingebed.
Hij groeit snel en kan als jonge boom wel eens last van vorst hebben.
Gebruik
De oorspronkelijke bewoners van
Noord-Amerika gebruikten het harde en duurzame hout voor bogen,
brandhout en hekwerk. Van bloemen en zaden maakte men een pap om aan voedsel een
zoete smaak te geven. De zaden worden ook graag door dieren als muizen, wezels,
marters en eekhoorns gegeten.

Soorten
Er bestaan ca. 14 soorten die in subtropische of tropische streken inheems zijn. De meeste
doen het ook in ons klimaat goed. Zij worden bij ons 15-25 m hoog.
Doorndragende soorten:
Een prachtig gele herfstkleur heeft Gleditsia’Imperial ‘. Hij draagt weinig peulen.
Het blad van Gleditsia’Rubylace‘ is eerst bruinrood, later donkergroen en in het najaar bronskleurig. Deze variëteit wordt slechts 8 m hoog.
Gleditsia ‘Elegantissima‘
heeft
donkergroen, in het najaar geel verkleurend blad, veel doornen en sikkelvormige
peulen.
Doornloze soorten zijn:
Gleditsia ’Skyline‘ met frisgroen blad en een gele herfstkleur.
Van Gleditsia ’Sunburst‘ is het jonge blad helgeel en wordt later geelgroen.
Gleditsia inermis heeft donkergroen blad, groeit snel en heeft een gele herfstkleur.
Snoeien
Snoeien is alleen nodig, wanneer
takken een vrije doorgang verhinderen.
