Sporkehout

(Vuilboom, Stinkhout)

 

Rhamnus frangula alnus (bot.)

Glossy buckthorn, alder buckstorn (Eng.)

Nerprun bourdaine (Frans)

Faulbaum, Brechwegdorn, Pulverholz (Duits)

 

Rhamnaceae Ė wegedoornfamilie

 

Sporkehout is een inheemse bladverliezende heester of kleine boom (tot 6 m) die bij ons vaak langs bospaden groeit en die we gauw over het hoofd zien. Toch is het goed om te weten, welke betekenis hij heeft in de plantgeneeskunde, voeger en nu.

 

Verspreiding

Sporkehout groeit in heel Europa als ondergroei in lichte bossen, langs rivieren en beken en in moerasgebieden. Men vind hem vooral op zandgronden. In de Alpen groeit hij tot een hoogte van 1000 m.

Uit archeologische uitgravingen waarbij men zaden gevonden heeft,  blijkt dat  Rhamnus-soorten al  sinds ruim 5000 jaar v.Chr. aanwezig waren.

 

Naamgeving

Rhamnus komt van het Griekse woord rhamnos wat tak betekent. De toevoeging frangula wil zeggen: met broos hout. Alnus wijst op enige gelijkenis met de bladeren van de zwarte els.

De Nederlandse naam sporkehout ( = sprokkelhout) wijst op de gemakkelijk brekende twijgen. Vuilboom heeft te maken met de rottinggeur van de schors en de vuile handen die men krijgt, wanneer men met het hout van deze boom te maken heeft. Sommige beweren dat de naam te maken heeft met de vroegere toepassing als laxeer-en purgeermiddel.

bloeiende tak

 

Plantkenmerken

In tegenstelling tot de wegedoorn heeft sporkehout geen dorens. De takken zijn slank, bijna horizontaal uitstaand. De bladknoppen zijn bruinviltig behaard. De verspreid staande eivormige bladeren zijn gaafrandig en onbehaard en hebben zeven tot negen paar nerven.

De bloemen verschijnen pas in juni, maar de bloei gaat de hele zomer door. De bloemen staan met zijn vijven bij elkaar. Ze zijn tweeslachtig en witgroen. Zij staan in schermpjes in de bladoksels bij elkaar.

De kogelronde steenvruchten bevatten drie zaden en zijn aanvankelijk groen. Later worden ze rood, soms zelfs blauwzwart en giftig.

De gladde schors is bij de jonge boom groen, later grijsbruin met lange, dwarse grijswitte schorsporiŽn.

bloem van Sporkehout

Gebruik

Sporkehout wordt sinds de 14e eeuw in oude kruidenboeken beschreven. Men gebruikte toen de fijn gemalen schors in eerste instantie om die werking van de darmen te stimuleren, maar ook als spoelmiddel tegen rottend tandvlees en kiespijn en, vermengd met azijn, om huidaandoeningen te bestrijden.

Tegenwoordig gebruikt men sporkehoutpreparaten (schors en bessen) als laxeermiddel, tegen maag - en darmklachten en om de galsecretie te stimuleren. De schors moet een jaar lang drogen. Pas dan is hij geschikt om er tincturen van te maken.

Het hout bestaat uit geelachtig spinthout rond een roodgele kern. Het werd vroeger ook voor de buskruitfabricage gebruikt. Men heeft er ook wol mee geverfd.

Het buigzame hout gebruikte men in de negentiende eeuw voor lemen vakwerkwanden met 'vitselstek': het vlechtewerk dat met leem en strohaksel werd aangesmeerd.

 

Volksgeloof

Wanneer men takken van het sporkehout in de deur of het raam hangt, zouden deze boze geesten en toverijen verdrijven. Maakt men van de splinters van het hout een cirkel om er in te dansen, zou er een elf verschijnen. Deze zou dan eventueel een wens vervullen. Je kunt het eens proberen!

 

 

 

       Een bijzonderheid

       Sporkehout is waardplant voor de rups van de citroenvlinder.

 

Zie ook  Wegedoorn ( Rhamnus cathartica)

 

 

 

Startpagina